Makkelijk schrijven
Hoe maak ik mijn informatie toegankelijk?
Mensen met beperkingen hebben recht op toegankelijke informatie. Dit betekent dat zij gebruik kunnen maken van je medium (bijv. brochure of internet) en dat anderzijds dat je informatie zelf begrijpelijk is. Deze aflevering van Tips & Trucs gaat over het schrijven van eenvoudige en leesbare teksten
Doel
Inhoudelijk toegankelijke informatie is begrijpelijk en overzichtelijk voor iedereen. Eenvoudig en leesbaar is prettig voor alle lezers, maar zeker voor mensen met een verstandelijke beperking, afasie of een niet aangeboren hersenletsel. Informatie is beter te begrijpen met korte zinnen, gemakkelijke woorden, zonder vaktermen of woorden in een andere taal, en door het vermijden van onduidelijk en vaag taalgebruik en ingewikkelde zinnen. Toegankelijke informatie begint met het duidelijk vaststellen van je doelgroep en het doel van je tekst.
Het is altijd mogelijk om moeilijke en complexe informatie begrijpelijk te maken voor mensen met beperkingen. Aandachtspunten bij eenvoudig en leesbaar schrijven zijn:
Taal
- Kort: houd het kort (gemiddelde zinslengte 7 woorden; maximum lengte 10 woorden).
- Simpel: gebruik eenvoudige, duidelijke woorden, maar maak het niet kinderachtig. Gebruik veelvoorkomende woorden.
- Concreet: gebruik geen abstracte begrippen of beeldspraak.
- Geen dubbele ontkenningen: maak een tekst niet ontoegankelijk.
- Geen afkortingen: schrijf woorden voluit (bv.: bijvoorbeeld).
- Geen vaktaal: vermijd jargon en technische termen. Als het niet anders kan, leg dan de woorden goed uit.
- Voorbeelden: geef voorbeelden waar nodig.
- Eenduidig: gebruik woorden altijd op dezelfde manier; varieer niet in bewoordingen.
- Actief: laat alle woorden als ‘zullen’ en ‘worden’ weg; een actieve vorm vergemakkelijkt het begrijpen van de tekst.
- Leestekens: zorg voor juist gebruik van leestekens (punten, komma’s, puntkomma’s, opsommingstekens).
- Geen taalfouten: let op juiste spelling.
- Geen tangconstructies: knip zinnen, als ze een ingewikkelde boodschap hebben, in stukken.
- Spreektaal: schrijf zoals je praat (‘als’ in plaats van ‘indien’).
- Afwisseling: wissel korte en langere zinnen af.
Structuur
- Doel: bepaal de centrale boodschap
- Stapsgewijs: bied informatie stap voor stap aan.
- Overzicht: zet zaken die bij elkaar horen, ook bij elkaar.
- Volgorde: kies voor een logische of chronologische opbouw; hanteer een duidelijke verhaallijn of ordening.
- Kopjes: gebruik eenvoudige, maar duidelijke titels en tussenkopjes.
- Alinea’s: slechts één boodschap per alinea; vertaal ingewikkelde informatie in delen met elk één boodschap.
- Leg uit: leg ingewikkelde relaties altijd uit.
- Eén actie: vermijd meer acties in één zin.
- Opbouw: begin met de hoofdgedachte (kernboodschap, samenvatting, conclusie) in klare taal. Daarna volgt de toelichting, waarbij je taal en je boodschap iets ingewikkelder kan worden. Lezers die afhaken hebben je boodschap dan in ieder geval gezien.
Overigen
- Doelgroep: houd bij het schrijven één vooraf bepaalde doelgroep voor ogen.
- Schrap: de inhoud van het schriftelijke informatiemateriaal moet beperkt zijn tot belangrijke informatie. Het beschrijven van het proces van beleidsvorming van de Wmo is bijvoorbeeld voor de doelgroep die voorzieningen wil aanvragen niet belangrijk.
- Illustreer: gebruik tekeningen of pictogrammen om de boodschap kernachtig samen te vatten of te ondersteunen.
- Vragen: geef altijd een telefoonnummer voor aanvullende informatie.
- Test: check de tekst bij de doelgroep.
Deze aandachtspunten worden uitgebreid toegelicht in de brochure ‘Doe niet zo moeilijk!’. De brochure is te bestellen bij de ouderverenigingen. Zie ook ‘Schrijven in eenvoudig Nederlands’ (Sdu, 2006).



Makkers Unlimited